...Toen trad een kluizenaar, die eens per jaar de stad bezocht, naar voren en zei: Spreek tot ons over genot. En hij antwoordde, zeggende: Genot is een vrijheidszang, maar het is geen vrijheid. Het is het opbloeien van je verlangens, maar het is niet hun vrucht. Het is een diepte die een hoogte aanroept, maar het is noch het diepe, noch het hoge. Het is het gekooide dat zijn vleugels uitslaat, maar het is geen omsloten ruimte. Ja, in alle waarheid, genot is een vrijheidslied. En hoe gaarne zou ik je dat doen zingen uit de volheid van je hart; toch zou ik niet willen dat je je hart aan het zingen verloor.
fragment uit De Profeet van Kahlil Gibran
|